De shit die tussen m’n oren zit

“Alles klinkt ok, maar ik wil toch even een hartfilmpje laten maken,” aldus mijn huisarts vorige week na de halfjaarlijkse Ritalincontrole in combinatie met een halfbakken burnout. “Een wát? Waarom? Klinkt het niet goed? Mijn hart is niet goed he? Ik wíst het wel. Hoe lang heb ik nog?” Dat bleek een beetje overtrokken, want volgens de arts was er echt niets aan de hand. Mijn hartslag was nogal hoog voor iemand die heulemaal zen was, maar strookte met die van een paniekerige stresskip. Niets aan de hand dus.

Dat ‘even een hartfilmpje maken’ kan je dus tegenwoordig gewoon zelf doen. Thuis. Volgens de huisarts draag je 72 uur zo’n meetding om en na drie dagen plemp je die weer op de balie om na een week te horen dat er helemaal niets aan de hand is. Met Vriendje had ik al kortgesloten dat als hier niets uitkwam, dit echt de allerlaatste polonaise aan mijn goddelijke lijf was. Ik bedoel, je kan natuurlijk ook zoeken naar rare dingen en die zijn er vast wel. Ik wil het alleen niet weten.

Dus maandagmiddag meld ik me braaf om twee uur bij de assistente. Of ik even wil wachten in de lege wachtkamer. What the fuck!? Geef me gewoon die polsmeter mee, dan doe ik dat thuis wel. Na drie uur vijf minuten werd ik een kamertje ingeroepen. De assistente liet het kastje zien en legde me uit hoe het werkte. Dat ding zou 72 uur non-stop mijn hartslag bijhouden en zo eventuele stoornissen kunnen opsporen. Als ik dacht dat er stront aan de knikker was kon ik op een knopje drukken. Ik dacht dat er dan gelijk een ambulance zou komen, maar het bleek gewoon dat punt op de opname te markeren zodat de cardioloog snel kon zien of er echt iets was. Ach so. Ik moet dan wel in een logboek schrijven wat ik aan het doen was, en op dat moment bad ik keihard dat mijn hart geen rare dingen zou doen tijdens de seks. Nou ja, anders zou ik gewoon opschrijven dat ik aan het joggen was. Ik bedoel maar, ik zou best kunnen joggen. In theorie.

Nou, top! Dat zou ik wel kunnen. Logboekje niet vergeten, dan komt alles goed. En net als ik wil opstaan draait de assistente zich om en houdt een pakketje snoeren omhoog. Of ik even m’n trui uit wil doen. Huh? “Dan plak ik het eerste setje vast op, hoef je dat zelf niet te doen.” Oh jezus, wat ben ik blij dat ik mijn dure roze kanten beha aanheb, in plaats van dat zwarte vodje van de H&M. Ze plakt twee stickers-met-snoer bovenop m’n borstbeen, nog eentje onderaan, en de laatste onder m’n linkertiet. “Deze moeten tot donderdag op, maar ik geef je een setje extra mee voor als je wilt douchen.” Vandaag is het maandag, ik weet niet hoor. Na een betoog mijnerzijds over hygiëne krijg ik stiekem nog twee extra pakketjes mee. Op de folder staat goddank een plaatje van een leuke man die laat zien waar die plakkers moeten. Leuke taak voor Vriendje deze week, ik begin er niet aan. De snoertjes zitten vast aan een kastje dat middels een zakje in mijn broekzak zit. Ik zit nog geen kwartier in de auto en ik heb alweer spijt van dit hele circus. Als ik thuiskom voel ik mijn linkerbovenbeen niet meer en verga ik van de jeuk door die stomme stickers. Nog drie dagen. En het is vast voor een goed doel.

Ik dacht dat autorijden een crime was met dat ding, maar probeer maar eens naar de wc te gaan met allemaal snoeren onder je shirt die gekoppeld zitten aan een kastje in je broekzak. Kastje eruit, broek uit, zorgen dat dat ding niet in de pot flikkert, gaan zitten (zo langzaam mogelijk is mijn tip), kastje goed vasthouden, tussen je benen klemmen als je opstaat (wij vrouwen moeten dat nou eenmaal), onder je arm klemmen als je je reet afveegt broek weer aantrekt en voorzichtig weer in je broekzak plaatsen. Heel even vraag ik me af of het erg zou opvallen als ik een luier zou dragen, maar dan besluit ik dat ik niet zoveel moet zeuren.

Na twee dagen ben ik het wel een beetje zat. Niet alleen voelt het nogal ongemakkelijk met al die plakkers en snoeren onder m’n kleren, het ziet er niet bepaald lustopwekkend uit (ik zal niet in details treden, maar Vriendje en ik hebben zelden zo lang alleen maar geslapen ’s nachts). De laatste avond besluiten we de zooi in de kliko te knallen zodat er geen rare metingen op dat kastje komen te staan. De volgende ochtend kunnen de laatste stickers erop en dan is het feest klaar. Halleluja.

Op weg naar de huisarts ontkoppel ik het hele circus en werk het logboek bij. Zeven keer heb ik het knopje ingedrukt in de laatste dagen (eigenlijk negen, maar één keer dacht ik dat het mijn gordel was, en de andere keer zat ik ermee te spelen toen het ineens af ging). Na een paar minuten voel ik me wat duizelig en begint een complete sessie hartkloppingen. Uiteraard net nadat het niet meer gemeten wordt, lekker dan. Ik ben nog steeds duizelig als ik in de rij sta bij de doktersassistente en vraag aan haar of Coach er toevallig is, want ik moest nog wat vragen. Een kwartier en honderd tranen later heeft hij me er een beetje van weten te overtuigen dat ik heus niet doodga van een paar hartkloppingen en dat er ook echt niets uit de metingen van dat kastje zal komen.

Als ik dat ding met trillende handjes inlever bij de receptie en vertel dat ik de afgelopen drie dagen relatief weinig klachten had maar nu ineens wel, zie ik ineens mijn huisarts naast hem staan. “Kom,” zegt ze vriendelijk. “We gaan even kijken.” Ik vraag me af of ze nu al 112 heeft gebeld, of dat ze dat op haar kamer wil doen als er geen nieuwsgierige assistenten bij zijn. Ze klittebandt de bloeddrukmeter om en pakte de stethoscoop (uit de vriezer, ik weet het zeker) om me door te meten. “Dacht ik al,” zegt ze glimlachend. “Alles is in orde, je hebt gewoon een paniekaanval.” “Maar het doet echt zeer! En het jeukt enzo, en ik heb allemaal kriebels. Zo slim is mijn hoofd heus niet hoor,” probeer ik nog, maar ik voel inderdaad dat de onrust wat minder wordt. “Kijk, nu gaat je hartslag weer omhoog. Je doet het echt zelf,” en ze blijft glimlachen. Ze vertelt dat ik niet moet denken dat ik na twee maanden weer net zo fit ben als zou moeten en mompelt nog iets over onderliggende stress en rust en vooral niet te snel weer alles oppakken. Ze geeft me nog net geen knuffel als ik wegga, maar had mezelf niet eens binnengelaten als ik haar was. Dat hysterische gezeur van die paniekwijven steeds, blegh.

Onderweg naar huis bel ik Vriendje op, en waarschuw hem dat hij niet gelijk moet lachen als ik het verhaal vertel. Gelukkig luistert hij nooit naar me en een minuut later zitten we beiden keihard te gieren om mijn idiote theorieën en de manier waarop mijn hoofd alles interpreteert. Opgelucht dat me niets mankeert rij ik naar huis, en ik probeer me niet dood te schamen als ik eraan terug denk.

Follow on Bloglovin

5 gedachten over “De shit die tussen m’n oren zit

  1. Inky

    Wat ben je toch een heerlijk wijf! Het komt allemaal wel goed met jou, just give it time, baby. Lekker genieten met vriendje xxx

    Reageren
  2. Björn

    Nogmaals een feest van herkenning het is bijna of je mijn leven tot nu toe beschrijft op enkele dingen na dan die bij mij verschillen.

    Bedankt krijg het gevoel dat ik door je blogg er niet meer alleen voor sta. Ben zelf aan het begin van het traject en zie de toekomst een beetje zonniger in nu.

    Reageren
  3. Deseo

    Ik heb je blogs gemist!

    Ik bedacht me om na een lange tijd je site en blogs weer eens te checken. Jeetje! Een hoop gebeurd of ook niet (met een burnout). Tja, wat zal ik zeggen. Herkenbaar!
    Maar ook wel weer met enorm veel plezier gelezen!

    Maar, euhm. Het is sinds 5 december (alweer 2 maanden) stil.
    Gaat het (juist) wel goed? Of was het hartfilmpje toch niet alleen aan hyperventilatie te wijten?

    Reageren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Loading Facebook Comments ...