Tagarchief: Prioriteiten

Mijn utopische ADHD-poli

“Later wil ik een ADHD-poli. Waar je gewoon even je ADHD-ei kwijt kan zonder een heel ADHD-traject in te gaan. Zonder wachtlijsten enzo. Zoiets.” Deze tweet was het gevolg van een kwartier filosoferen in de auto, terwijl ik van sport terugreed naar huis. Ik tweet wel vaker onzindingen, dat kan namelijk op Twitter. Ook ik word verplicht om mijn gedachtengang in 140 tekens samen te vatten, wat best een goeie oefening is denk ik.

Op de heenweg al bedacht ik me wat er, behalve medicatie, nou écht zou helpen om geen last meer te hebben van alles dat bij ADHD komt kijken. Verder dan ’50 IQ-punten inleveren’ en ‘niet meer nadenken’ kwam ik niet. Niet echt concreet toe te passen dingen, zeg maar. Een paar weken geleden heb ik afscheid genomen van mijn coach. Het zat erop, vanaf nu zou ik het zelf moeten doen. Ik voelde me een beetje uitbehandeld, alsof er niets meer mogelijk was behalve het heule traject nog een keer doorlopen of braaf elke dag medicijnen slikken. Niemand wil echt z’n leven lang aan de pillen en het traject bestond uit meer bureaucratie, administratie en zakelijke shit dan echt concrete hulp; no way dat ik daar ooit nog aan zou beginnen.

Maar af en toe wil ik wel gewoon m’n ei kwijt, of iets vragen. Of juist een schop onder m’n hol, of iemand die zegt dat ik goed op weg ben. Ik heb helemaal geen zin om eerst naar de huisarts te gaan, me te laten doorverwijzen, wekenlang de wachtlijst afwachten, intake-gesprekken uitzitten, hopen dat deze hulpverlener me wél snapt, en honderd papieren invullen. Ik wil gewoon even met iemand praten die verstand van zaken heeft en me weer op weg helpt. Als ik kiespijn heb bel ik de tandarts en kan ik morgen nog terecht, en als ik een blaasontsteking vermoed kan ik zonder kloppen een potje pies op de balie poneren. Maar als ik even wat opstart- of continuïteitsproblemen* ervaar, gaat daar weer een fucking traject van vele maanden aan vooraf! Bovendien heb ik het tegen die tijd allang zelf uitgezocht, maar ga ik vaak toch maar naar de afspraak in het kader van ‘ik heb nu al zó lang gewacht…’.

Dus toen vroeg ik me af, wat zou ik nou echt willen op dat moment? Heel simpel, gewoon dat je met iemand even een afspraak maakt en een uur lang gratis thee krijgt en dan je verhaal op tafel gooit. Geen intakegesprekken, geen aanmeldingen, geen doorverwijzingen, geen wachtlijsten. Gelijk betalen na afloop, anders krijg je weer het gezeur van ‘gezonde’ mensen die kromliggen voor en door mijn ellende. Een soort kapper, die in plaats van je hoofd van buiten eens vanbinnen fatsoeneert. Ik wil me niet verplicht voelen nog tien sessies te doorlopen als ik naar de eerste keer weer even vooruit kan. Ik wil dan ook geen langetermijn-shit of huiswerk ofzo.

Ik wil gewoon op maandag bellen, op woensdag in een serene wachtkamer zitten met allemaal roze bloemen en ingelijste corny uitspraken van mensen die helemaal zen zijn aan de muur. En dan een uur later weer opgelucht en vol goede moed naar huis. Ik wil kunnen vragen of het normaal is dat mijn hoofd soms lijkt te ontploffen en weten of dat weer goedkomt. Ik wil weten aan welke gedachten ik wel en geen energie hoef te besteden en welke impulsen ik naast me neer kan leggen. Ik vind dat iedereen dat eigenlijk gewoon verdient en met alle kennis in dit land moet daar toch een mogelijkheid voor zijn?

Ondanks dat ik weet dat het uiteindelijk allemaal voor een goed doel is, heb ik toch een klein beetje medelijden met 16-jarige meisjes die op dit moment op de wachtlijst staan voor een ADHD-test. Voornamelijk met degenen die daadwerkelijk een diagnose krijgen. Want echt, lieve meisjes, het zal nog jaren gaan duren voordat jullie op de meeste vragen een antwoord krijgen. En we weten allemaal dat wachten en geduldig zijn de beste eigenschappen zijn van mensen met ADHD.

* Bestaat echt.

Het is dus de schuld van Ford

Met grote regelmaat verbaas ik me over eigenlijk behoorlijk veel dingen. Dat kan vervelend zijn, maar ook heel leuk. ADHD is eigenlijk elke dag alles een beetje opnieuw ontdekken. Soms vermoeiend, soms razend fascinerend. Uiteraard word ik niet elke dag wakker met een waar-ben-ik-gevoel, of ik moet de avond ervoor net de wijnclub hebben getroffen. Een beetje regelmaat kweken heeft enorm geholpen om dingen te doen die ik moet doen, in plaats van mijn tijd besteden aan alles dat zo vanzelfsprekend hoort te zijn. Maar juist die routines maken dat ik weleens in beschamende situaties terecht kom.

Om mijn taffushekel aan sport te compenseren, ga ik welgeteld één avond in de week actief doen. Max. Want soms heb ik gewoon geen zin tijd. Na bijna twee jaar zou je een soort routine verwachten van boodschappen doen, koken, eten, spullen pakken, sporten, douchen, bankhangen, slapen. De eerste zes stappen zitten er goed in, maar daarna gaat het regelmatig mis. Ik ben een fervent ochtenddoucher en heb het tot een kunst verheven om dan zo min mogelijk na te denken, want niet altijd even moeilijk is. Maar dan sluipt de routine erin en sta ik niet zelden om half elf ’s avonds klaar om te gaan werken. Pas als ik mijn brood heb gesmeerd en op de telefoon kijk om te zien hoe laat het is (ik heb geen klok thuis, ook zoiets) zie ik dat het bedtijd is, en geen werktijd. Het gevoel dat ik er een hele werkdag op heb zitten heb ik ook als ik ’s ochtends wakker word, dus daar hecht ik geen waarde aan. Ik zie gewoon niet in dat de dag voorbij is in plaats van dat deze net begint. Het voelt hetzelfde. Andersom is uiteraard ook weleens gebeurd, dat ik na het ontbijt doodleuk verder ging slapen om vervolgens door m’n baas uit bed te worden gebeld.

Mijn boodschappen-doen-na-het-werk-routine hou ik er voorlopig nog even in. Daar heb ik aan toe moeten voegen dat ik voor ik naar het werk ga toch even moet checken of ik mijn portemonnee wel mee heb. Het zal niet de eerste keer zijn dat ik aan de caissière heb moeten beloven binnen 5 minuten terug te zijn. Met geld deze keer, want niets zo vernederend als een rij zuchtende bejaarden achter je die iets mompelen over ‘de jeugd van tegenwoordig’. Als ik de auto uitstap moet ik echt alles meenemen, al lukt dat niet altijd. Eens in de maand plan ik een middag in om tachtig keer heen en weer te lopen om alle jassen, schoenen, boeken, flesjes drinken, cd’s en andere zooi mee m’n huis in te nemen. Tas, telefoon en auto- cq huissleutels zitten wel in de dagelijkse routine en zodra ik thuis ben knal ik de rest ergens ver weg uit het zicht neer. Het is namelijk een hele strijd om met al die zooi en de boodschappen twee trappen op te huppelen, zorgen dat poez em niet smeert en ook nog de sleutel aan de binnenkant van de deur te hangen. De eerste twee uur na thuiskomst ben ik dan ook mobiel onbereikbaar, omdat ik nooit kan onthouden waar ik die heb neergelegd.

Na de tweede keer boodschappen doen (ik vergeet echt altijd wel iets) lijkt het allemaal wat rustiger en besluiten mijn hoofd en ik unaniem om het huis niet meer uit te gaan. Tenzij de vuilniszak vol zit. Of ik moet pinnen voor de schoonmaakster die de volgende dag komt. Of mijn fiets moet binnenzetten, wat ik nogal eens vergat, vandaar dat de lokale dief er nu op fietst. Of ergens een Punica-date heb. Dan heb ik minstens een half uur voorbereiding nodig om a) op te schrijven wat ik allemaal moet meenemen en b) een tijdplanning moet maken. Die planningen zijn vet handig en ik kwam er tientallen tegen in mijn oude agenda’s uit mijn studietijd. Mijn vrienden verklaarden me voor gek en vroegen zich soms hardop af of ik überhaupt wel kon klokkijken. De lijstjes uit te tijd bestonden uit het tijdstip waarop ik van huis wegging, op het station aankwam, de trein vertrok, dezelfde trein aankwam, de bus vertrok, bus aankwam en college begon. Elke dag. Ik zal maar niet beginnen over mijn humeur als de trein vertraging had.

Nu heb ik het OV links laten liggen en hoef ik alleen maar van mijn huis naar werk met de auto in elf minuten. Ook daar zit een regelmaat in, en ik weet inmiddels precies bij welke tijdsaanduidingen ik een sprintje moet trekken of nog even rustig aan kan doen. Dat gaat altijd goed, totdat ik het zogenaamde ‘eerste uur’ vrij ben. Dan loopt alles in het honderd omdat de tijden niet meer kloppen met mijn routine en ik helemaal van slag ben als ik weer vergeet overal 50 minuten bij op te tellen. Hier was maar één oplossing voor: met mijn diagnose naar de bedrijfsarts die mij een dosis regelmaat voorschreef. Sindsdien beginnen mijn werkdagen weer heerlijk burgerlijk om half negen.

De klok in mijn auto staat altijd elf minuten voor. Dat vind ik fijn. Drie jaar lang heb ik hele winters een uur eraf moeten denken in de veronderstelling dat Ford gewoon niet-verzetbare klokjes in hun auto’s had gemaakt. Dus toen ik in september aan de garage vroeg om de klok goed te zetten, vertelde de monteur met een raar gezicht dat die inderdaad een beetje vóórliep en geen wonder dat ik me eraan ergerde enzo. Wel godver. Ik weigerde om met hangende pootjes terug te gaan en te smeken om alsjeblieft mijn klok weer de vertrouwde elf minuten terug te geven, waardoor mijn werkdagen wekenlang niet om acht uur begonnen maar om elf over acht. Je begrijpt dat ik niet te genieten was tot de eerste pauzes. Na een paar weken heb ik mijn trots opzij gezet en mijn collega’s ervan overtuigd dat Ford echt iets over het hoofd had gezien en de garagas vast een speciale sleutel hadden om de klokjes te verzetten. Na anderhalf uur twee minuten had mijn collega mijn wereld gered. En mijn ochtenden. De klok stond weer goed. Minus elf minuten, want mijn hoofd snapt toch nooit dat ik die er eigenlijk bij op zou moeten tellen…

Heeft u wel goed gelezen?

Het is bijna acht uur en ik ben op weg naar mijn werk. Voor mij staan twee auto’s te wachten tot het stoplicht op groen springt; ik ken ondertussen het systeem en weet dat wij na de rij tegenover ons aan de beurt zijn. Het stoplicht springt op groen en er gebeurt niets. Ik wacht rustig twee tellen totdat de voorste bestuurder zijn knalpaarse Peugeot in z’n één heeft gezet. Ook na drie seconden gebeurt er niets, en zelfs vier of vijf tellen later staan we nog collectief voor een groen stoplicht te wachten. Misschien is de bestuurder weer in slaap gevallen, en ik val met twee handen tegelijk mijn claxon aan. Doorrijden graag, want ik moet werken. De eerste auto slaat linksaf waar ik rechtdoor moet en ik zie nog net een middelvinger uit het raampje aan de bestuurderskant naar buiten komen. Vast met het verkeerde been uit bed gestapt, maar het kan me weinig interesseren. Nu hoeven we in elk geval niet nog een ronde voor het stoplicht te wachten. Later is hij mij er vast heel dankbaar voor.

Na vierhonderd rotondes te hebben overwonnen, sta ik bij het laatste stoplicht voordat ik op mijn werk kom. Ik hoor bekend gepiep uit mijn tas komen en als een goed getraind Pavlovhondje zoek ik in de tas naar mijn voorraad Ritalin. Als ik ze nu neem, werken ze misschien nog in zodra mijn eerste les begint. Na een paar tellen beschaafd zoeken raak ik lichtelijk geïrriteerd en besluit ik de tas op de kop te kwakken en zo het doosje eruit te plukken. Tussen mijn boeken, sigaretten, telefoon, flesjes water, pennen, agenda, brood en portomonnee duikt zie ik het vertrouwde groengele doosje. Ik schrik op van getoeter achter me en voel een enorme boosheid jegens die kutmercedes achter me. Godverdomme. Laat me met rust, je ziet toch dat ik druk ben?!

Desondanks heb ik toch maar mooi op tijd de methylfenidaat tot me kunnen nemen en zo start mijn werkdag. Het tweede alarm vier uur later verrast me, omdat ik meestal voor de acht-uur-piepjes al zo weldenkend ben geweest om thuis wat in te nemen. Zonder mini-rebound dus de tweede dosis ingenomen en sofort. De laatste les vergadering bijeenkomst verplichting zit erop en als ik de tijd neem mijn mails te lezen zie ik het lampje op mijn telefoon knipperen. Ik vraag me af welke dino er tegenwoordig nog smst, als ik zie dat het de fictieve postbode is. Dat ik niet thuis was (duh) en dus mijn pakje niet in ontvangst heb kunnen nemen (dubbelduh). Echt, in vredesnaam, wélk pakje? Hetzelfde moment smst KPN dat mijn vet nieuwe roze shiny telefoon bij het postkantoor ligt. Had ik de deur maar moeten opendoen. Ik was allang vergeten dat ik maandag een nieuwe telefoon had besteld, dus dit voelt even als een vervroegd kerstcadeau.

Omschrijvingen zoals ‘het postkantoor’ vind ik zelf nogal vaag, zeker gezien het feit er vierduizend postkantoren zitten in deze stad. Ik besluit terug te bellen en kom erachter dat je dus tegenwoordig zó anoniem kan smsen, dat er geen enkel teken van telefonische bereikbaarheid meer te achterhalen is. Fijn. Ik kijk wel op mijn hippe PostNL-app. Het pakje ligt op ‘het afhaaladres’, zoals ze dat zo mooi omschrijven. Wélk afhaaladres dat dan is, is mij nog steeds een groot raadsel. Na vier zoekopdrachten, een candycrush level, drie Whatsappjes en een sigaret laten heb ik eindelijk het antwoord. Bij de Appie Heijn. Juist. ‘Voor deze levering is een handtekening vereist’. Dat heb ik wel, dus ik kan zo op weg naar huis gelijk mijn neue speeltje ophalen. Ik besluit tóch even te bellen met de vraag of ik heus geen afhaalbericht nodig heb, want die ligt hoogstwaarschijnlijk thuis in de brievenbus, of dat mijn rijbewijs afdoende is. Mevrouw van de AH zoekt het pakje en concludeert dat er heulemaal geen pakketje voor mij ligt, en lichtelijk beteuterd hang ik weer op.

Ik rij iets sneller dan normaal naar huis, want dan heb ik nog tijd om vòòr vijf uur (ik kom uit een dorp) mijn pakje op te halen. Het verlossende antwoord ligt inderdaad in de brievenbus. Ik was alweer niet thuis en mijn pakje kan ik ophalen bij het dichtstbijzijnde postkantoor. Hier om de hoek. Geen wonder dus dat mevrouw AH het niet kon vinden. Ik schiet de deur weer uit en rij loop richting het postkantoor. Ik kom een pakje ophalen, en of ik een momentje hebt. Blijkt toch weer dat iedereen een andere definitie van ‘momentje’ heeft, want een kwartier later komt ook de postmeneer met lege handen terug. Of het wel dit postkantoor was. Vol trots schuif ik het oranje brievenbusvodje onder zijn neus en een milde euforie maakt zich van mij meester. ‘Het is 31 oktober mevrouw. Hier staat duidelijk dat u op 1 november het pakje kunt ophalen.’

Prima, dan kom ik morgenochtend wel terug.
– ‘Vanaf 13:00 mevrouw, heeft u wel goed gelezen?’